Een Open Koets

Deze fraaie open koets is gemaakt door Arnoldus van Geffen in Amsterdam in 1760. De koets wordt getrokken door twee paarden, elk met een pluim op het hoofd. De koetsier zit met steek en zweep op de bok met twee kinderen achter hem en een dame met een grote hoed.

Miniatuur Zilver

Miniatuurzilver kwam in Nederland in de tweede helft van de 17e eeuw in de mode, maar de 18e eeuw wordt gezien als de bloeitijd ervan. Er was zelfs sprake van een heuse rage. Populaire onderwerpen waren kinderspelen, beroepen, sporten en vervoersmiddelen zoals dit rijtuig. Deze miniaturen zijn gemaakt door bekende Amsterdamse miniatuur specialisten zoals  Michiel Maenbeeck, Pieter van Somerwil, Jan Borduur en de maker van dit stuk, Arnoldus van Geffen.

Growing the City

De handel in de Nederlanden bloeide in de 17e eeuw en vooral Amsterdam profiteerde daar flink van. Tussen 1580 en 1690 verzevenvoudigde de Amsterdamse bevolking van circa 30.000 naar 210.000 mensen. Het werd de grootste stad van de noordelijke Nederlanden en het middelpunt van stedelijk Europa. De stad bleek te klein voor de snel groeiende vloot en de vloedgolf van immigranten die voornamelijk uit de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk, Oost-Europa en Duitsland kwamen. De stad moest uitgebreid worden en dat gebeurde in vier stadsuitbreidingen, ook wel Uitleggen genoemd.

Drie Grachten

In 1612 startte het stadsbestuur de uitvoering van het ambitieuze uitbreidingsproject van ‘Stadstimmerman’ Hendrick Jacobsz Staets en legde daarmee de basis van het huidige Amsterdam.Drie grachten werden aangelegd; de Herengracht, Keizersgracht en Prinsengracht. Deze drie hoofdgrachten van Amsterdam werden tegelijk gegraven. Bij de voltooiing 50 jaar later, was de stad vier maal zo groot en beschikte over het meest efficiënte en fijnmazige waterwegensysteem ter wereld. Via een spinnenweb van verbindingsgrachten konden goederen vanuit de hele wereld voor de deur van meer dan duizend pakhuizen worden afgeleverd.

Rijtuigfiles

De straten langs de grachten werden geplaveid en aan het begin van de 17e eeuw verscheen, net als in andere Hollandse steden, het rijtuig. Iedereen die het zich kon veroorloven schafte er zich een aan, een zware luxe karos of een lichter rijtuig naar Franse mode. De koets werd al snel een status symbool. Ook al waren de meeste afstanden in Amsterdam te voet niet meer dan tien minuten gaans, als men twee straten verderop moest zijn werden de paarden ingespannen voor het rijtuig of de koets. Dit kostte vaak meer tijd dan het uiteindelijke ritje. Het aantal rijtuigen nam gestaag toe. Dit leidde tot verkeersproblemen. Als twee koetsen elkaar wilden passeren in de nauwe verbindingsstraten tussen de grachten werd de straat totaal versperd. Vanaf 1615 werd daarom in bepaalde straten één richting verkeer ingevoerd.

Belasting op wielen

Het aantal koetsen bleef toenemen en de opstoppingen ook. In 1634 vaardigde de magistraat van Amsterdam een verbod uit om met karossen door Amsterdam te rijden. Bij overtreding volgde een boete van 50 gulden. Hiermee sneden ze zichzelf in de vingers want juist de leden van het stadsbestuur, de regenten, waren immers rijtuigbezitters. De maatregel werd direct verzacht: wie van buiten de stad kwam mocht per koets tot aan zijn huis rijden, op voorwaarde dat de kortste weg genomen werd. Omdat er veel kortste wegen waren leek het na enige tijd alsof er nooit een verbod was geweest. Uiteindelijk was een belasting op wielen de maatregel die orde moest brengen.

Share

This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.

Vorige Miniaturen overzicht Volgende

Ontvang onze nieuwsbrief

Inschrijven