Een Elegante Chocoladekan

Tegenwoordig genieten miljoenen mensen dagelijks van chocolade. Dit is niet altijd zo geweest. Tot de 16e eeuw was het product volslagen onbekend in Europa en pas vanaf de 20e eeuw is chocolade voor iedereen betaalbaar. In de 18e eeuw, de periode waarin deze kan gemaakt is, was chocolade slechts weggelegd voor het hof en welgestelde burgers. Nederlandse zilveren chocoladekannen uit die periode komen dan ook zeer weinig voor.

Dit elegante exemplaar is subtiel vormgegeven in de Lodewijk XV stijl. De peervormige kan heeft ingesnoerde ribben. Alleen de afschroefbare knop op de oplopende deksel laat een krachtige rocaillevorm zien. Juist deze afschroefbare knop kenmerkt het gebruik van deze kan voor chocolade. Door het ronde gat in het deksel kan namelijk een houten roerstok worden gestoken om de naar beneden gezakte cacao weer door de melk te roeren voordat deze uitgeschonken wordt.

Ontdekking van Cacao door Europeanen

Alhoewel de ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus in 1502 als eerste Europeaan een cacaoboon ziet, is het de Spaanse veroveraar Hernán Cortés die tijdens zijn tocht door het Azteekse Rijk (1519-1521) het gebruik van cacaobonen met eigen ogen ziet. De Azteekse keizer Montezuma dronk grote hoeveelheden chocoladedrank uit bekers van puur goud. De Spanjaarden hadden in de gaten dat de drank met grote zorgvuldigheid werd behandeld en concludeerden daaruit dat het veel waard moest zijn. Cortés veroverde het land en begon al snel cacaoplantages aan te leggen. Hij was er immers van overtuigd dat cacao hem dezelfde rijkdom zou brengen als het goud waarop hij had gehoopt.In 1528, aan het einde van zijn expeditie, neemt Cortés de cacaobonen terug naar Europa. Daar worden ze geschonken aan Spaanse monniken. Zij leren er chocoladedrank van te maken. In eerste instantie vindt men dit drankje veel te bitter. Maar wanneer de monniken er suiker en honing aan toevoegen wint de chocoladedrank snel aan populariteit. Het duurt niet lang voordat de Spaanse adel chocolade drinkt. Omdat het helemaal uit Amerika moet komen is chocolade echter veel te duur voor het volk.
Verspreiding in Europa
Uiteraard proberen de Spanjaarden het geheim van dit nieuwe goud voor zichzelf te houden. Nadat de chocoladedrank aanslaat bij de Spaanse adel verspreidt de productie van het gewilde product zich snel over de gebieden die de Spanjaarden veroveren in Midden- en Zuid-Amerika. Zo ontstaan er overal grote cacaoplantages.
Als Lodewijk XIII in 1615 huwt met de Spaanse Anna van Oostenrijk leert ook de Franse adel de cacaodrank kennen. Ze verhuisden naar Frankrijk en zo werd de chocoladedrank geïntroduceerd bij het koninklijk hof. Anna bracht zelfs haar eigen meid mee naar Frankrijk, Molina, een mooi meisje dat de cacaodrank van de koningin bereidde. In Frankrijk is in 1659 al een eerste echte chocolatier, David Chaillou, die koekjes en cakes gemaakt met chocolade bereidde en verkocht, voor diegenen die het konden betalen. Het was echter nog te vroeg voor de bonbons (pralines) zoals wij die vandaag kennen.

België werd na de dood van Karel de Kale in 1477 geannexeerd door het Spaanse imperium. De eerste sporen van cacao zijn teruggevonden in Gent in 1635, in de Baudeloo abdij.

In 1641 proefde de Duitse wetenschapper Johan Georg Volckammer chocolade op zijn reis naar Napels. Hij was zo overweldigd door de smaak dat hij wat chocolade meenam naar Duitsland. Het duurde even voor hij de Duitsers kon overtuigen, maar na een tijdje vielen velen voor de smaak. De Duitsers introduceerden zelfs de gewoonte om een kop warme chocolade te drinken voor het slapengaan.

De Engelsen beschouwden chocolade als “extravagant” toen ze het voor het eerst proefden in 1657. Net als in de rest van Europa was chocolade eerst een privilege en werd het uitsluitend genuttigd aan het koninklijk hof en door edelen. Het werd echter al snel een populair voedingsmiddel voor de hogere klasse.
De Nederlanden werden in de 14e eeuw een onderdeel van het Spaanse imperium, waardoor ook hier de bittere cacaodrank al vanaf het begin van de 17e eeuw bekend was. De West-Indische Compagnie importeerde zelfs cacao via de haven van Amsterdam, richtte er kleinschalige productie-eenheden op voor de verwerking van cacao en verkocht deze aan buitenlandse handelaars. Ook werden cacaobonen naar Zeeland vervoerd vanuit Trinidad en vanuit eigen plantages in Suriname en in met wind, mens of dierkracht aangedreven molens vermalen tot “Zeeuwse chocolaad”. Het product bestond uit kleine, donkere en heel bittere cacaotabletten en –blokjes, de zogenaamde Zeeuwse koekjes, die ook heel vet waren, omdat alle cacaoboter er nog in zat. Eenmaal opgelost in warme melk of heet water, ontstond een zware, vettige cacaodrank, de socculate, die heel anders smaakte dan de chocomel die we nu drinken. Socculate werd op smaak gebracht met anijs, nootmuskaat, kaneel, amber en vanille of suiker. Pas aan het einde van de 17e eeuw kwam men op het idee om melk in plaats van water toe te voegen, wat de smaak van de drank voller maakte.

Promotie

Het proces om van cacao chocolade te maken bleef moeilijk en ondanks de uitbreiding van de productie blijft de prijs van chocolade erg hoog, en dus voor weinigen bereikbaar. De cacaohandel ging daarom reclame maken in Europa. Rond 1680 begon in Nederland en Frankrijk een opvallende verspreiding van boeken waarin koffie, thee en cacao als voedings- en genotmiddel aangeprezen werden. Omstreeks 1685 schreef de Nederlandse arts Cornelis Decker, alias Bontekoe, een boek over koffie, thee en chocolade. Waarschijnlijk heeft hij dat in opdracht van Nederlandse kooplieden gedaan. Chocoladedrank heeft in Nederland echter nooit de populariteit verworven die het elders in Europa had. De eerste zilveren chocoladekannen werden in Nederland aan het begin van de 18e eeuw gemaakt. Het aantal exemplaren wat bekend is, is zeer gering.

Alger Nicolaas Mensma

In 1709, op zevenentwintigjarige leeftijd, trouwde deze Friese zilversmid in Amsterdam, alwaar hij een jaar later bij het gilde werd ingeschreven. Hij had het vak geleerd van zijn vader, Nicolaas Alger, die in Leeuwarden werkte. Net als zijn vader koos Alger een symbool uit het familiewapen als meesterteken. Terwijl zijn vader de zwaan gebruikte, koos Alger de wilde man (een man met een knots) als handtekening voor zijn stukken. Een aantal daarvan bevindt zich nu in museumcollecties.

De chocoladekan is aan de onderkant gemerkt met het Amsterdamse keurmerk, de Hollandse leeuw, de datumbrief voor 1756 en het merkteken van de wildeman voor Alger Mensma.

Share

This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.

Vorige Zilver overzicht Volgende

Ontvang onze nieuwsbrief

Inschrijven