Bestekkist met een Serie van Twaalf Confiturecouverts

Deze charmante bestekkist is slechts 17,5 cm hoog. De kist is gevuld met een uiterst zeldzame serie van twaalf zeer kleine messen, vorken en lepels. Dit is de enige complete serie confiturecouverts die wij kennen in Nederlands zilver uit de 18e eeuw. Het bestekkistje zelf is aan de buitenkant bekleed met bruin velours en aan de binnenkant met rood velours. Het kistje staat op vier zilveren bolpootjes en heeft gegraveerd zilveren beslag, met een zilveren sleutel. Het houten interieur is zwart met rood beschilderd.

De drietandige vorken hebben een verhoogde rib in de lengte midden over de steel en een enkel lof bij de overgang van de steel naar de bak. De vorken zijn 11,2 cm lang. De lepels hebben hetzelfde model steel en zijn 11,7 cm lang. De mesjes hebben een pistoolheft met een gestileerd bladmotief wat om het uiteinde gekruld is en zijn voorzien van ijzeren lemmeten. De mesjes zijn 14 cm lang. Dit is korter dan de gebruikelijke dessertcouverts die vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw voorkomen en meestal rond de 18 cm lang zijn. Het is ook kleiner dan kindercouverts die meestal c. 14 cm lange vorken en lepels hebben.

Konfijten en Confiture

Dit formaat couverts werd gebruikt voor het nuttigen van vers en gekonfijt fruit. Het presenteren van vers of gekonfijt fruit werd al in de loop van de zeventiende eeuw een belangrijk item op ontvangsten, niet alleen aan de vorstenhoven maar ook bij de gegoede burgerij . Het konfijten van voedsel is een methode om het te conserveren. Dit kan door het voedingsmiddel in te leggen in suiker, maar het is ook een kooktechniek waarbij vlees, wild of gevogelte langdurig wordt gegaard in een grote hoeveelheid dierlijk vet. Hier hebben we het over de zoete variant waarbij gekonfijt wordt met honing of suiker. Met suiker is het beter droge confituren maken en dat kwam in de 16e en 17e eeuw beschikbaar door de rietsuikerteelt in Brazilië en het Caribisch gebied. Deze gekonfijte waren werden confituren genoemd en werden, samen met andere lekkernijen zoals noga, biscuit en marsepein, geserveerd als laatste gang van een feestelijke maaltijd.
Alhoewel als bakermat van het konfijten Italië genoemd wordt , is het de Franse invloed die ervoor zorgt dat het in de Lage landen in de mode komt. Er verschijnen allerlei confiture recepten waarin we kunnen zien dat een grote variëteit aan vruchten nat of droog gekonfijt werden. Opvallend is dat naast zoet fruit en noten ook bloemen, zoals de roos en goudsbloem; eidooiers en groente zoals sla, venkel en komkommer maar ook kruiden werden gekonfijt met suiker.

Tafelmanieren

Tot halverwege de 17e eeuw bleef het de gewoonte dat iedere aanzittende zijn eigen eetinstrumenten meebracht aan tafel. Reizen zonder lepel was ‘not done’. De meeste reizigers hadden een houten lepel op zak, de welgestelden bezaten een zilveren of zelfs een gouden exemplaar. Hoewel een voorsnijmes en –vork wel tot de normale huisraad van de welgestelden behoorden, waren in slechts weinig huizen tafelmessen aanwezig. Er werd met de handen gegeten, vaak met behulp van brood en eventueel de punt van het mes. De lepel en het mes aan tafel zijn daarom veel ouder van de vork. Vloeibaar voedsel kon je nu eenmaal niet zonder lepel nuttigen en het mes was nodig om hapklaren stukken te snijden. De meeste huishoudens in Nederland bezaten dan ook niet veel tafelgerei. Men at, net zoals elders in Europa, met mes en lepel. In de tweede helft van de 17e eeuw begon de gewoonte om met de handen te eten te veranderen.

Franse Invloeden

Deze veranderende eetgewoonten hangen nauw samen met de welvaart en met de mode die in Nederland zwaar beïnvloed werd door de Franse hofkringen. De Fransen zetten in de loop van de 17de eeuw niet alleen de toon in architectuur, tuinarchitectuur en toegepaste kunst, maar ook in de keuken en aan tafel. Frankrijk dicteert wat er in de huizen van de elite gegeten wordt nadat de eerste kookboeken worden gedrukt. De Franse chef-kok François Pierre de la Varenne ontketend een ware revolutie met zijn kookboek Le cuisinier François. Andere koks volgen zijn voorbeeld en al snel worden Franstalige kookboeken in de Republiek gedrukt. En op de tafel -om te pronken- ontstaan steeds meer voorwerpen om de tafel mee te dekken.

Volledig Gedekte Tafel

Het is dan ook Lodewijk XIV (1638-1715) die het gebruik om het eigen bestek mee te nemen veranderde. Hij was één van de eersten die voor zijn gasten de tafel volledig dekte, waardoor het niet langer nodig was dat zij eigen bestek mee brachten. Met een volledig gedekte tafel imponeerde hij niet alleen zijn gasten, hij kon zo ook voorkomen dat één van zijn gasten mooier bestek mee zou meenemen. In de loop van de eerste helft van de 18e eeuw werden ook in Nederland de tafels volledig gedekt. En naarmate de eetcultuur zich ontwikkelde, werden er steeds meer objecten gemaakt om de tafel te versieren en groeide in gegoede kringen de vraag naar meer bestek. Deze cassette is daar een bijzonder en zeldzaam compleet voorbeeld van.

Bestekkisten

Uit achttiende-eeuwse inventarissen weten we dat bestek vaak in dozen of kisten werd bewaard. Het eikenhout, wat de basis vormt van deze kisten, werd met verschillende materialen bekleed. Hiervoor werd roggehuid (shagreen), velours, lak of marqueterie gebruikt. Het gebruik van bestekkisten is niet alleen decoratief maar ook praktisch. Als het bestek erin opgeborgen is, is in één oogopslag te zien of er bestekdelen ontbreken bovendien konden de sets gemakkelijk mee naar het buitenhuis van de eigenaar worden genomen.

Jacob Schenk

Jacob Schenk werd rond 1722 als zoon van Isaac Schenk, die metselaar van beroep was, geboren. In 1741 wordt Schenk in het poortersregister ingeschreven als schuitenvoerder. Sinds 1744 is hij werkzaam als zilversmid, al wordt hij pas in 1768 voor het eerst opgenomen in een register van werkzame meesters. De gildeleden zijn hierin geordend op jaar van binnenkomst. Schenk staat in de lijst tussen de zilversmeden Woortman en Precht, die beiden in 1744 bij het gilde werden ingeschreven. Schenk is een goed voorbeeld van een edelsmid voor wie zilversmederij een nevenactiviteit vormde. Schenk trouwde twee keer, in 1745 met Maria van Leeuwen en in 1763 met Christina Bormann. Hij overleed in 1786. In 1772 wordt Isaak, de zoon van Jacob, ook als zilversmid in het poortersregister bijgeschreven.

Gekeurd aan de achterzijde van de stelen van de vorken en lepels met de stadskeur van Amsterdam, het meesterteken I*S in ovaal van Jacob Schenk en de jaarletter O voor 1748. De fruitmessen zijn gekeurd met het stadskeur van Amsterdam en de jaarletter O voor 1748.

Lengte lepels 11,7 cm. Vorken 11,2 cm. Messen 14,1 cm.
Totaalgewicht 1412 gram incl. kist

Share

    This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.

    Vorige Zilver overzicht Volgende

    Ontvang onze nieuwsbrief

    Inschrijven
    Meld je aan voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van onze collectie, beurzen en de laatste nieuwsberichten.