Drie Wijnbekers

Deze drie bekers behoren tot de zeldzaamste modellen van Hollands zilver. Wijnbekers zoals deze werden uitsluitend voor huishoudelijk gebruik gemaakt. Hoewel we weten dat er in de 17e eeuw veel exemplaren in Nederland zijn gemaakt, komen we ze nu nog maar weinig tegen.

De vroegste van deze drie is de Berkemeier, gemaakt in Nijmegen rond 1635 door Johan Hermensz Gramey. De licht conische beker heeft een fijn gegraveerde, dubbele band langs de bovenrand met daartussen bladranken en bloemen. De rechte onderste helft van de beker, gescheiden van de bovenste helft door een zigzagrand, is versierd met geciseleerde schelpmotieven op een matte achtergrond. De beker staat op een gegoten voetrand.

Berkemei

Een berkemei is een berkentak die werd gebruikt om een houten beker te maken. De glazen berkemeier of berkemeyer is afgeleid van deze vorm en werd al in de 15e eeuw in Duitsland gemaakt van groen bosglas. De knoppen op de steel van de beker waren afgeleid van de knoestige zijtakken van de boom en zorgden voor een betere grip op het glas. Dit was geen overbodige luxe omdat mensen vaak met hun handen aten en het glas gemakkelijk uit de vette vingers kon glijden. Vanaf de 16e eeuw werd dit model ook in zilver gemaakt, naar het voorbeeld van de glazen exemplaren. Omdat het zilveren exemplaar vele malen duurder was, kon de eigenaar er ook zijn sociale status mee laten zien.

Loterijen

Zilveren berkemeiers komen ook voor op loterijprenten uit de 16e en 17e eeuw. Naast collectes waren loterijen een populaire manier om geld in te zamelen. De eerste officiƫle loterij in Nederland werd in 1444 georganiseerd door de stad Utrecht om de tekorten van de stad te dekken. Dit voorbeeld werd al snel gevolgd door particuliere initiatieven om geld in te zamelen 'ten bate van de behoeftigen', bijvoorbeeld voor de slachtoffers van natuurrampen zoals overstromingen en branden, maar ook voor andere liefdadigheidsdoeleinden. Om reclame te maken voor loterijen werden pamfletten met de hoofdprijzen gedrukt en opgehangen op plaatsen waar ze de aandacht van een groot aantal mensen zouden trekken om ze zo aan te moedigen een lot te kopen. Deze prijzen bestonden voornamelijk uit zilveren voorwerpen of munten.


Dolhuis

Dit detail van een loterijprent uit 1592 toont de prijzen die gewonnen konden worden in een loterij voor de uitbreiding van het Amsterdamse Dolhuis, of krankzinnigengesticht, aan de Kloveniersburgwal. Er waren een groot aantal kostbare prijzen te winnen, variƫrend van zilveren bekers, tazzas, lepels en zelfs zakken met zilveren munten. Er staan ook maar liefst eenenveertig berkemeiers op afgebeeld, vele malen meer dan het aantal Nederlandse zilveren exemplaren dat we vandaag de dag kennen. De hier afgebeelde berkemeier is het enige bekende exemplaar uit Nijmegen.

Amsterdamse Beker

De Amsterdamse beker uit 1656, gemaakt door Ludolf Harmen Drooghstraedt, is licht conisch van vorm, met een gladde drinkrand en een geprofileerde band aan de onderkant. De zijkanten zijn versierd met vier afzonderlijke bloemen op stelen met bladeren. De basis is gedecoreerd met verticale knarren en staat op een platte standring. De decoratie op deze Amsterdamse beker is een mooi voorbeeld van de florale stijl. De opkomende belangstelling voor bloemen en tulpen met name aan het einde van de 16e eeuw had een grote invloed in Nederland, wat uiteindelijk leidde tot de 'tulpenmanie' tussen 1634 en 1637. Bloemen waren ook geliefd in de kunst. Naast een oneindig aantal bloemstillevens werden bloemen vanaf het midden van de 17e eeuw gebruikt om zilveren voorwerpen te versieren. Deze beker van Ludolf Harmen Drooghstraed is daar een prachtig voorbeeld van.

Van Londen tot Moskou

De basisvorm van deze beker, met een ingesnoerde voet, zien we reeds in Londen aan het einde van de 16e eeuw. Ludolf Harmen Drooghstraed paste het aan de Nederlandse smaak aan door vier bloemen in reliƫf op een steel met bladeren toe te voegen. Een paar jaar later maakte een andere Amsterdamse zilversmid, Roelof van Emden de Vries, een serie vergelijkbare bekers. Ze werden door vertegenwoordigers van de Nederlandse Republiek als diplomatiek geschenk meegenomen naar Rusland en ter plekke voorzien van Russische inscripties. Elf van deze bekers maken nu deel uit van de collectie van het State Historical and Cultural Museum of the Kremlin in Moskou. In Nederland zijn slechts enkele exemplaren bekend, waarvan deze het vroegste exemplaar is.

Groninger Beker

De Groninger beker uit 1674-75 is volledig uit ƩƩn stuk zilver gedreven. De zijkant van de beker is gegraveerd met twee lege wapenschilden met daarop een helm geflankeerd door prachtige struisvogelveren en bladvoluten. Deze schilden konden worden ingevuld als de eigenaar een familiewapen had. De beker staat op drie bolvormige pootjes. De Groninger beker van Arent Hamminck is zeer ingetogen van vorm, met als enige decoratie de drie bolpootjes. De Duitse invloed is duidelijk zichtbaar in dit model, waar de vorm vaak werd gebruikt in Neurenberg en Augsburg. Dit type werd ook in Scandinaviƫ gemaakt tot in de 18e eeuw. Hamminck maakte de beker geheel in de Nederlandse sobere stijl, met geheel gladde zijkanten. Het model is zeldzaam in Nederland; dit is zelfs het enige bekende voorbeeld uit Groningen.

Wijn

Alle drie deze bekers werden gebruikt om in huiselijke kring wijn uit te drinken. Nederland heeft nooit een noemenswaardige wijnproductie gehad en was afhankelijk van import. In de 17e eeuw kwam de meeste wijn uit Frankrijk en Duitsland, dus wijn was duur en daarom vooral beschikbaar voor de hogere klassen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er kostbaar drinkgerei voor werd gemaakt. Wijn drinken was een manier om je sociale status te etaleren.

Stapel Recht

Middelburg, dat vanaf 1406 een stapelrecht had voor wijnen uit Frankrijk en het Middellandse Zeegebied, en Dordrecht, dat hetzelfde recht had voor wijnen uit Duitsland, bleven de belangrijkste wijnmarkten tot ver in de 16e eeuw. Het stapelrecht hield in dat alle geĆÆmporteerde goederen die in een haven werden gelost, daar moesten worden opgeslagen en te koop aangeboden voordat ze verder konden worden vervoerd. Het belang van dit recht begon voor deze steden echter aanzienlijk af te nemen in de tweede helft van de 16e eeuw, toen Amsterdam en Rotterdam opkwamen als handelscentra en de belangrijkste wijnmarkten bleven tot ver in de 17e eeuw.

3.5 Liter Wijn Per Dag

Bier was een typische volksdrank die door alle lagen van de bevolking werd gedronken. Dit was niet het geval voor wijn; het aantal mensen dat wijn dronk was veel kleiner. Alleen de adel, de geestelijkheid en de hogere middenklasse dronken dagelijks wijn. Een vergelijking tussen het dagloon van verschillende ambachtslieden en de prijs van wijn toonde aan dat iedereen die minder betaald kreeg dan een meester metselaar - de overgrote meerderheid- slechts zelden wijn kon drinken. Er was ook een groot prijsverschil tussen Duitse en Franse wijnen. Duitse Rijnwijnen waren aanzienlijk duurder dan Franse wijnen. Er is ook berekend dat de wijnconsumptie van de reguliere geestelijkheid varieerde van 650 tot bijna 1.300 liter per persoon per jaar - vooral dit laatste cijfer is indrukwekkend. Al in de 14e eeuw reserveerde de abt van Sint Pieter in Gent ongeveer 3,5 liter wijn per dag voor zichzelf. Monniken en novicen hielden zich ietwat meer in, met een gemiddelde van rond de 2,7 liter per persoon per dag. De kritiek van tijdgenoten op het ongeordende leven van de geestelijken is hierdoor goed voorstelbaar.

De Zilversmeden

De maker van de Berkemeier, Johan Hermensz Gramey, werd rond 1600 in Arnhem geboren als zoon van de Arnhemse goudsmid Herman Jansz en zijn vrouw Ursula Schaeck. Hij werd burger van Nijmegen op 21 februari 1627 en trouwde een paar weken later met Lijsbeth Alberts, ook uit Arnhem. Pas rond 1660 voegde hij Gramey toe aan zijn achternaam. Twee van zijn zonen, Albert Hermans en Herman Hermens (Jansen) Gramey, en zijn kleinzoon Aelbert Gramey, waren ook zilversmid. Johan stierf in Nijmegen, waar hij op 21 april 1667 werd begraven. Een straat in de zilversmedenbuurt van de stad is naar hem vernoemd. De catalogus Nijmeegs zilver uit 1983 vermeldt een aantal stukken van Gramey, allemaal gemaakt tussen 1638 en 1665. Sommige daarvan, waaronder een molenbeker en een doosje, bevinden zich in de collectie van het Valkhof Museum in Nijmegen.

De Amsterdamse beker is gemaakt door Ludolf Harmen Drooghstraedt, ook bekend als Ludolf Drogestadt. Hij werd rond 1635 in Groningen geboren en was de zoon van Harmen Drooghstraedt. Op 19 augustus 1657 trouwde hij in Sloterdijk met Grietje Gerrits. Hij stond geregistreerd als zilversmid voor 4 augustus 1657. Het is niet precies bekend wanneer Ludolf is overleden. Zijn weduwe trouwde op 20 december 1670 met de loodgieter Jan Janssen, wat suggereert dat Ludolf voor 1670 overleed. Er zijn een paar stukken van Drooghstraedt bekend, waaronder een ovale doos in de collectie van het Rijksmuseum, die net als deze beker rondom een gedreven florale decoratie heeft.

Tot slot is de Groninger beker die gemaakt is door Arent Hamminck van Nijenhuis. Hij werd in 1660 in dezelfde stad geboren. Zijn beide ouders, Willem Hamminck en Catrijna Munninghe, waren getuigen bij zijn huwelijk met Geesjen of Gesien Garbrants in 1682. Tien jaar na hun huwelijk overleed hij op 28 juni 1692.

Keuren

Alle drie de bekers zijn op de onderkant gekeurd. De Nijmeegse Berkemeier heeft het meesterteken IHG ineen voor Johan Hermensz Gramey.

De Amsterdamse beker is gekeurd met het stadskeur van Amsterdam, de jaarletter D voor 1656 en het meesterteken LD ineen voor Ludolf Drooghstraedt.

De Groninger beker is gekeurd met het stadskeur van Groningen, het 3e alfabet met jaarletter W voor 1674-75, en het meesterteken AH aan elkaar voor Arent Hamminck.

Share

Voor meer informatie verzoeken wij u vriendelijk te bellen

+31.6.54773337

Vorige Zilver Archief overzicht Volgende

Ontvang onze nieuwsbrief

Inschrijven
Meld je aan voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van onze collectie, beurzen en de laatste nieuwsberichten.