Grote Lodewijk XVIe wijnkannen zoals deze zijn zeldzaam in Nederlands zilver. Uit de tweede helft van de 18e eeuw zijn slechts vier grote exemplaren bekend die allemaal in Amsterdam zijn gemaakt. De twee grootste daarvan werden gemaakt door de bekendste zilversmid die destijds in de stad werkzaam was: Johannes Schiotling. Stadsgenoot Marthinus Logerath maakte de andere twee.
De elegante kan staat op een ronde voet met een gladde, verticale plint, afgezet met een parelrand die op meerdere plaatsen wordt herhaald: bovenaan de hals van de voet, op de brede band rond het midden en langs de rand van de tuit. Krachtige acanthusbladen zijn over de cannelures op de voet gedrapeerd en keren terug op de nodus en bij de aanhechting van de hoekige handgreep. Lichaam en hals zijn voorzien van in het zilver gedreven cannelures, terwijl de middenband is verrijkt met fijn bandwerk en rozetten.
Neoclassicisme
Deze wijnkan is een prachtig voorbeeld van de neoclassicistische stijl. Een stijl die tijdens de regeerperiode van Lodewijk XVI in de mode kwam en daarom ook wel de Louis Seize stijl genoemd wordt. Na het midden van de 18e eeuw ontstaat na de rococo een stroming die zich heroriënteert op de antieke cultuur- het classicisme. Men verdiept zich met wetenschappelijke ernst in de antieke cultuur als geheel. De kunstgeschiedenis doet zijn intrede. De opgravingen in Pompei in 1748 en Herculaneum, onder supervisie van Karel van Bourbon, de koning van Napels, wakkerde de belangstelling voor de klassieke vormen aan en vormden de inspiratie voor het neoclassicisme. Er verschenen veel boeken onder andere van de Duitse archeoloog en historicus Johann Joachim Winckelmann die uitgebreid de maten en verhoudingen van de klassieke bouwkunst weergaven. Met name het grote aantal gedetailleerde illustraties vond binnen de kunstnijverheid grote aftrek. De ornamenten op de kan zijn prachtige voorbeelden van deze stijl: de parelranden, de acanthusbladen, een krans van laurierbladen, cannelures en de rozetten op de middenband. Ook de basisvorm vertoont sterke overeenkomsten met een vaas uit de oudheid.
Wijn
In 1787, het jaar waarin deze schenkkan werd vervaardigd, was wijn in Nederland geen dagelijkse drank. Binnen regentenkringen en welgestelde burgerhuishoudens werd wijn geschonken bij maaltijden en ontvangsten; voor anderen bleef zij vooral bestemd voor bijzondere gelegenheden. Bier vormde het gangbare volksdrankje. Omdat binnenlandse wijnproductie vrijwel ontbrak, was men afhankelijk van import, met name uit Frankrijk en Duitsland. Rijnwijnen uit Duitsland waren aanzienlijk kostbaarder dan Franse wijnen en daardoor voor een kleiner publiek bereikbaar.
Schiotling
Het rijke, welvarende Amsterdam was in de achttiende eeuw een trekpleister voor zilversmeden. Tussen 1760 en 1790 vestigden er zich zo’n negentig buitenlandse zilversmeden. Van de buitenlanders was ruim de helft afkomstig uit Scandinavië, Oostenrijk, Duitsland, Oost-Friesland, Rijnland-Westfalen en de Baltische landen. Deze smeden hadden dezelfde achtergrond, hetzelfde geloof, trouwden in elkaars familie en werkten met of voor elkaar .
De belangrijkste figuur binnen deze groep was Johannes Schiotling. Hij werd in 1730 geboren in Göteborg, Zweden, als zoon van Sven Schiotling, smidsgezel bij de artillerie, en Kerstin Andersdotter. Op zeventienjarige leeftijd ging hij in zijn geboortestad in de leer bij Olof Fernlöf, een van de bekwaamste zilversmeden ter plaatse en meermalen overman van het gilde. Na een leertijd van zes jaar legde Schiotling in 1753 zijn gezellenproef af. Na goedkeuring van het vervaardigde werkstuk was hij leerling af en kon hij als gezel zijn verdere opleiding tot meesterzilversmid beginnen.
Daarna ontbreekt gedurende negen jaar iedere vermelding van Schiotling. Vermoedelijk werkte hij in deze periode als reizend gezel bij verschillende meesters. In 1762 duikt hij opnieuw op in Amsterdam, waar hij als zilversmid het poorterschap verwierf, een vereiste voor toelating tot het gilde. In datzelfde jaar werd hij, op 32-jarige leeftijd, als meester ingeschreven. Hij vestigde zich aan de Egelantiersgracht en trad een jaar later in het huwelijk met Margaretha Sofia Jansen, afkomstig uit Oost-Friesland.
Een Groot Bedrijf
Twee broers van de bruid, Johan Diederik en Jan Arend sluiten zich bij hem aan. De eerste als zilversmid en de tweede als poorter. Wilhelmus Angenendt uit Wezel wordt in 1770 meesterzilversmid en sluit zich aan net als Christoffel Mittscherlich uit Reval. De laatste wordt de rechterhand van Schiotling.
Schiotling was al snel zeer succesvol. De omvang en de kwaliteit van zijn productie getuigen van zijn zeer goede relaties met het Amsterdamse regentenpatriciaat. In opdracht vervaardigde hij werken voor de zeer welgestelden in Amsterdam, waaronder de bankier John Hope, medeoprichter van het bankiershuis Hope. Ook leverde de firma kerkzilver aan verscheidene kerken. In 1771 kan hij zich een huis in de dure Kalverstraat veroorloven waar hij ook een winkel vestigt. In een opgaaf van 1798 wordt hij dan ook kashouder genoemd. Dat hij met drie verschillende meestertekens voorkomt, duidt op de grote omvang van zijn bedrijf.
Twee Stijlen
Schiotling overleed in 1799 na maar liefst 51 jaar werkzaam te zijn geweest. Hij heeft dan ook in verschillende stijlen gewerkt. De eerste tien jaren in Amsterdam werkte hij in de Rococo stijl. In de Scandinavische landen had deze stijl zich nog uitbundiger ontwikkeld dan in het land van oorsprong, Frankrijk. Dit is ook in het werk van Schiotling terug te zien in het weelderige decor van bloemen en de rocailles die zo uitbundig zijn dat het schuimkragen genoemd worden. Hierna werkt hij in de veel monumentalere Lodewijk XVIe stijl. Al in 1772 zien we zuilen en portretmedaillons zijn ontwerpen.
A Solo Exhibition
Belangrijke stukken van Schiotling maken nu deel uit van museale collecties waaronder het Rijksmuseum en het Amsterdam Museum. Johannes Schiotling is de enige zilversmid waaraan in 1977 een speciale tentoonstelling gewijd werd in het Rijksmuseum.