Deze koets met twee paarden behoort tot de zeldzamere en zwaarste miniaturen die in de 17e en 18e eeuw in Nederland in zilver werden vervaardigd. De twee gegoten paarden en de vier gegoten figuren die deel uitmaken van het ontwerp dragen bij aan het gewicht van 154 gram. Dat betekent dat er destijds voor ruim vijftien gulden aan zilver in dit miniatuur was verwerkt — in een tijd waarin het modale jaarinkomen zo’n tweehonderd gulden bedroeg. De koets heeft vier wielen, het licht gewelfd dak heeft op elke hoek een baluster. In het interieur zitten een man en vrouw tegenover elkaar. De koetsier zit op de bok, met in zijn rechterhand de zweep en in zijn linkerhand de teugels. De palfrenier staat achter op de koets.
De straten langs de Amsterdamse grachten waren bestraat en aan het begin van de zeventiende eeuw verscheen er — net als in andere Nederlandse steden — een nieuw fenomeen: de koets. Iedereen die het zich kon veroorloven, schafte er een aan, of het nu ging om een logge, luxueuze reiswagen of een lichtere koets in Franse stijl.
De koets groeide al snel uit tot een statussymbool. Zelfs voor bestemmingen slechts twee straten verder liet men de paarden inspannen — een handeling die vaak langer duurde dan de rit zelf. Het aantal koetsen nam gestaag toe, wat onvermijdelijk tot verkeersproblemen leidde. Wanneer twee koetsen elkaar in de smalle verbindingsstraatjes tussen de grachten tegenkwamen, was de doorgang volledig geblokkeerd. In 1615 werden daarom de eerste eenrichtingsstraten ingesteld. Toch bleef het aantal koetsen toenemen, en met hen de opstoppingen.
In 1634 vaardigden de Amsterdamse burgemeesters een verordening uit die het rijden met koetsen binnen de stad verbood, op straffe van een boete van vijftig gulden. Daarmee schoten zij zichzelf echter in de voet: het waren immers de patriciërs, de leden van de stadsregering zelf, die de koetsen bezaten. De maatregel werd dan ook direct afgezwakt: wie van buiten de stad kwam, mocht met de koets naar zijn huis rijden, mits men de kortste route nam. Omdat er talloze ‘kortste routes’ waren, leek het al snel alsof het verbod nooit had bestaan. Uiteindelijk werd een belasting op wielen ingevoerd, die het verkeer enigszins wist te reguleren.