Drinkhoorn van het Dordtse Groot Vischkopersgilde

Deze charmante, kleine drinkhoorn uit 1593 is een van de weinige bewaard gebleven gildestukken uit de 16e eeuw en het oudst bekende stuk van een viskopersgilde in Nederland. Het was een pronkstuk voor één van de invloedrijkste gilden van de stad Dordrecht. Van Dordtse gilden zijn in totaal maar elf stukken bekend; inclusief deze hoorn dateren daar slechts vier van uit de 16e eeuw.

Deze runderhoorn is voorzien van zilveren monturen. Langs de bovenrand is een gladde zilveren drinklip aangebracht met een fijne kabelrand, waarboven de namen van de dekens in een cartouche en het jaartal 1593 zijn gegraveerd. Rond het midden bevindt zich een band met dubbele kabelrand, waartussen de namen van de overlieden aangebracht zijn. Aan deze band zijn twee gegoten griffioenpoten bevestigd waar de hoorn op kan staan. De punt wordt bekroond door een zilveren montuur met een griffioenkop en een bel. De hals hiervan is gegraveerd met een geschubd decor, afgezet met een kabelrand. Alle zilveren onderdelen zijn voorzien van een getande rand met gegraveerd bladdécor.

Pronkstuk

De hoorn is niet alleen gedateerd, maar ook gekeurd met de jaarletter van 1593. Nederlands zilver uit deze periode is uitzonderlijk zeldzaam. De economische bloei van de Republiek moest nog op gang komen; de VOC zou pas enkele jaren later worden opgericht en de pre-compagnieën ondernamen in deze tijd met wisselend succes hun eerste reizen naar de Oost. Drinkhoorns met zilveren monturen waren in de 16e en 17e eeuw een geliefd pronkobject binnen gilden. Zij werden gebruikt bij ceremoniële maaltijden en benadrukten de status en samenhang van het bestuur. Het aantal bewaard gebleven gildehoorns is zeer beperkt en vrijwel alle exemplaren maken deel uit van museumcollecties. Dit exemplaar vormt daarop een zeldzame uitzondering.

Macht

Een gilde was in de middeleeuwen en tot het einde van de achttiende eeuw een organisatie van mensen binnen een stad met hetzelfde beroep of ambacht, die diende als belangenorganisatie en zorgde onder andere voor kwaliteit, opleiding en sociale bescherming voor hun leden.
De viskopers van Dordrecht waren sinds 1464 verenigd in het Groot Viskopersgilde. De oprichting diende zowel het stadsbestuur als de landsheer: zij bood bescherming tegen handelaren van buitenaf en bracht orde in de visverkoop. De viskopers behoorden tot de stedelijke bovenlaag. Niet alle gilden hadden dezelfde status: samen met de vleeshouwers en de wijnkopers vormde dit gilde de economische en politieke elite. Deze gilden leverden bestuursleden aan het stadsbestuur en beschikten over de middelen om kostbare gildeobjecten te laten vervaardigen.
Aan het einde van de 16e eeuw bereikten de gilden hun grootste invloed. Nadat inkomsten uit geconfisqueerd kerkelijk bezit waren uitgeput, werd het stadsbestuur steeds afhankelijker van tol, heffingen en belastingen. Nieuwe belastingen konden echter niet zonder instemming van de gilden worden ingevoerd. De steun van de gilden, waarin de belangrijkste inwoners van de stad waren verenigd, was daarmee onmisbaar.

Dekens

Het Groot Viskopersgilde telde ongeveer vijftig leden en had aanzienlijke bezittingen. Het gildehuis, de Crimpert Salm aan de Visstraat, geldt nog altijd als een van de fraaiste panden van de stad. Alleen mannen die niet in andere gilden waren beëdigd, konden tot dit gilde toetreden.
Rond de drinklip van deze hoorn zijn de namen gegraveerd van de vier dekens van het gilde: François Clemensz Rassteu, Maerten Aertsz Scoudt, Wouter Jansz Duynen en Jan Jaspersz Coninck. Kleinere gilden hadden doorgaans slechts drie dekens. Op de band rond het midden van de hoorn staan de namen van de twee overlieden, Arian Ariensz Back en Arien Cornz Roerom, die het contact onderhielden tussen het gilde en het stadsbestuur. Zij bestelden en betaalden in 1593 deze hoorn die tijdens feestelijke maaltijden van hand tot hand ging. Bijvoorbeeld bij het jaarlijkse gildeteren, de maaltijd ter ere van de beschermheilige van het gilde, Sint Andries. De bel aan de punt van de hoorn kon men laten rinkelen als de hoorn bijgevuld moest worden.

Tweede Hoorn

In de collectie van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel bevindt zich een tweede, latere, drinkhoorn van het Dordtse viskopersgilde, vervaardigd in 1610. Ook daarop zijn de namen gegraveerd van François Clemensz Rassteu, Jan Jaspersz Coninck en Wouter Jansz van Duynen, die zeventien jaar later nog steeds deel uitmaakten van het gildebestuur. Deze tweede hoorn is groter dan het exemplaar uit 1593. Mogelijk werd daarom in 1612 op de rand de vermanende tekst aangebracht:
“…dat uit den Horen met vrede ende maticheit soude worden gedroncken”.

Haringtrafiek

De ligging van Dordrecht aan het water bepaalde in hoge mate het economische leven van de stad. In de omgeving werden zalm, steur en elft – een haringachtige vis- gevangen. Daarnaast nam Dordrecht al in de middeleeuwen een belangrijke positie in binnen de haringtrafiek, het verwerken en verhandelen van haring voor de markt. De haring werd voornamelijk gevangen voor de Nederlandse kust in de Noordzee en speelde een belangrijke rol in de voedselvoorziening en handel.

Vismarkt

De visverkoop concentreerde zich op de Groote Vischmarkt. In 1595 werden op de Visbrug nieuwe stenen visbanken gebouwd “ter commoditeit ende gerieff van de Gemeene Vischcoopers”. De vijftig overdekte stallen waren groter dan die in andere steden, waar vrouwen vaak het beeld van de vismarkt bepaalden. In Dordrecht was de vismarkt een mannenaangelegenheid, onder toezicht van een schout. Vrouwen verkochten vis langs de deuren; zij werden ommeloopsters genoemd. Naast de Groote Vischmarkt kende de stad een boerenvismarkt en een riviervismarkt. Het was viskopers niet toegestaan meerdere stallen binnen de stad te bezitten.

Kapoenen

De inkomsten van het gilde kwamen voornamelijk uit bezit van land, huizen en pandponden, een vorm van belasting op onroerend goed. Daarnaast betaalden nieuwe leden het gildegeld, leerjongens het leerkindsgeld en werd bij het afleggen van de gildeproef examengeld geheven. Andere bijdragen betroffen het altaar, het lijkkleed voor begrafenissen en de kapoenen, bestemd voor de ondersteuning van armen. Ook boetes voor overtreding van gilderegels vormden een belangrijke inkomstenbron.

Oudste Stad van Holland

Dordrecht ontstond rond het jaar 1000 en wordt omstreeks 1120 voor het eerst genoemd in verband met de slag bij Thuredrech, genoemd naar het riviertje de Thure tussen de Merwede en de Dubbel. Rond 1195 verschijnt de naam als Durdreth. De stad beschikte toen al over stadsrechten, die in 1220 werden bevestigd door graaf Willem I. Daarmee geldt Dordrecht als de oudste stad van Holland.
Dankzij haar ligging op een kruispunt van rivieren en de goede bereikbaarheid vanaf de Noordzee ontwikkelde Dordrecht zich tot een belangrijk handelscentrum. De graven van Holland, die vanaf 1203 in de stad resideerden, hieven er tol. In 1299 werd het stapelrecht verleend, waardoor passerende goederen eerst in Dordrecht moesten worden opgeslagen en verhandeld. De handel in wijn, hout, graan en wol bracht de stad in de 14e en 15e eeuw grote welvaart.

Gekeurd op de drinklip met het stadskeur van Dordrecht, de jaarletter P voor 1593 en het meesterteken een bloem in een pot.


Share

Voor meer informatie verzoeken wij u vriendelijk te bellen

+31.6.54773337

Vorige Zilver Archief overzicht Volgende

Ontvang onze nieuwsbrief

Inschrijven
Meld je aan voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van onze collectie, beurzen en de laatste nieuwsberichten.