Dit elegante zilveren komfoor vertelt het verhaal van de rijke geschiedenis van de Noord-Hollandse inpolderingen. Na de succesvolle drooglegging van de Beemster werd in 1633 het Schermeer drooggemalen en verdeeld in honderden kavels. Het landschap van Noord-Holland kreeg zo opnieuw vorm door een staaltje innovatief watermanagement waar Nederland tot op de dag van vandaag om bekendstaat.
Schermeers Beschermer
Het komfoor, met parelranden en voorzien van drie bol-klauwpootjes, heeft een handgreep die is gedraaid uit ebbenhout. In het koperen binnenbakje
werden smeulende kooltjes of stukjes turf gedaan, afkomstig uit de open haard. Het koper beschermde het zilver tegen de hitte. Het komfoor werd op tafel geplaatst in de rokerskamer, waar het diende om de lange Goudse pijpen op enige afstand aan te steken. Op de zijkant is een gegraveerde voorstelling aangebracht met de tekst Schermeers Beschermer.
Land en Water
In het midden van de gravure bevindt zich, in een schild, de aartsengel Michaël, de beschermengel van het Schermeer. Aan de linkerzijde zijn attributen afgebeeld die verwijzen naar het water: een visnet, pikhaak, hengel, viskorf en boomstok. Aan de rechterzijde zien we voorwerpen die betrekking hebben op het land: een zeis, hand-eg, korenaren, kaaston, boterton, mand en schouderjuk. Onder het schild zijn een hooivork en spade gegraveerd, symbolen voor de aanleg van de dijken. Boven het schild zitten twee honden die trouw verbeelden, met daartussen een bundel rietpluimen. De voorstelling is ontleend aan de kaart die landmeter Pieter Wils in 1635 maakte van de nieuwe polder.
Beleggingsaspect
Sinds het einde van de zestiende eeuw tot in de eerste helft van de zeventiende eeuw werden verschillende Noord-Hollandse meren, zoals de Zijpe, de Wieringerwaard, de Beemster, de Purmer en de Heerhugowaard, drooggemalen. Als laatste werd in 1633 begonnen met het Schermeer – een gewaagde onderneming vanwege de omvang van 4.700 hectare en de diepte van vier meter beneden NAP. Met behulp van 52 windmolens en de beproefde trapbemaling werd het Schermeer in slechts twee jaar drooggelegd. Weer twee jaar later verrezen de eerste stolpboerderijen in de nieuwe polder. Een belangrijke reden voor de drooglegging was de steeds smaller wordende Huygendijk, die niet alleen bescherming bood tegen het water, maar tot 1855 tevens de enige landverbinding vormde tussen de Zaanstreek en Alkmaar enerzijds en Hoorn en Purmerend anderzijds. Daarnaast speelde het beleggingsaspect een grote rol: het drooggemalen land werd verkaveld en vervolgens verpacht voor agrarische doeleinden.
Weldijk
In 1792 werd dit komfoor besteld door de dijkgraaf en heemraden van de Schermer, die het in 1793 schonken aan de predikant met de toepasselijke naam ds. Jakobus Weldijk. Deze dominee van Noord-Schermer werd in 1763 in Haarlem geboren. In augustus 1793 had hij een beroep uit Gorcum afgeslagen en zich beschikbaar gesteld voor het college van de Schermer. Als blijk van waardering besloten dijkgraaf en heemraden Weldijk een geschenk in zilver – of desgewenst een salarisverhoging – te geven, geheel bekostigd uit hun eigen middelen. Dijkgraaf Bucerus kreeg de opdracht dit uit te voeren. De waardering voor dominee Weldijk moet groot zijn geweest, want men wilde hem duidelijk niet aan Gorcum verliezen.
Een aanzienlijk geschenk
Tijdens de vergadering van 12 oktober 1793 werd een brief besproken die Weldijk op 27 september had geschreven, waarin hij dankte voor “...het aangename present silver, bestaande in een zilvere tabaksdoos (tabakspot), twee dito comphoire en twee dito schenkblaaden.” Een aanzienlijk geschenk. Van de vijf zilveren geschenken aan Weldijk is tot op heden alleen dit pijpkomfoor bekend. Het werd gemaakt door de Amsterdamse zilversmid Martinus Logerath in 1792. Opmerkelijk is dat de opdracht naar Amsterdam ging, terwijl het dichterbij gelegen Enkhuizen en Hoorn een bloeiende zilvercultuur kenden. Waarschijnlijk kon in Amsterdam, door het grotere aantal opdrachten, efficiënter en sneller worden geproduceerd.
Martinus Logerath
Martinus Logerath was van oorsprong een Haagse meesterzilversmid. Hij werd in 1733 geboren en leerde het vak van zijn vader Johannes Logerath. Pas op zijn eenendertigste verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij drie jaar later in het huwelijk trad. In zijn huwelijksjaar 1767 deed hij zijn meesterproef om te worden toegelaten tot het Amsterdamse gilde, waarvoor hij datzelfde jaar het meestergeld betaalde. Daarna vestigde hij zich als zelfstandig zilversmid aan de Egelantiersgracht, bij de Maagdelievenstraat 58. Hier vervaardigde hij omvangrijke zilverwerken, waaronder tabakspotten, zoutvaten, schenkbladen en broodmanden. Zijn meesterteken – drie appels in een gecontourneerd schild – vinden we terug op dit komfoor. Logerath was actief tot circa 1814 en geldt als een van de vooraanstaande Amsterdamse zilversmeden van het einde van de achttiende eeuw. Werk van zijn hand bevindt zich onder meer in de collectie vanhet Rijksmuseum Amsterdam.
Share
Voor meer informatie verzoeken wij u vriendelijk te bellen