Dit uitzonderlijke, achtdelig zilveren ensemble uit 1780 brengt een tot nu toe onbekend verhaal over slavernij en vrijlating in de Nederlandse koloniale geschiedenis aan het licht. De set werd in Amsterdam vervaardigd in opdracht van Balthasar Daniel van Idsinga, met het geld dat hij erfde van Cassandra van Macasser, een voormalige tot slaaf gemaakte vrouw die hem in Batavia als baboe had opgevoed en door zijn ouders was vrijgekocht.
Van Idsinga liet haar naam en haar legaat in het zilver vastleggen. Op de dienbladen liet hij Minerva graveren die een vrijheidshoed overhandigt aan een Afrikaanse vrouw.
Dat de complete set na 246 jaar nog bijeen is en rechtstreeks uit de familie van de opdrachtgever afkomstig is, maakt de vondst bijzonder.
De Inscriptie
Op de voorzijde van de dienbladen is een voorstelling gegraveerd: In een ovaal staat Minerva die een vrijheidshoed overhandigt met naast haar een putto die een document geeft aan een Afrikaanse vrouw. Eromheen staat de tekst: Generosus servili in pectore animus: een edele geest in een dienstbare borst.
Dit anti-slavernij embleem draagt de boodschap uit dat ook een tot slaaf gemaakte een nobele geest bezit. Minerva, symbool van de wijsheid en deugd, vervult de rol van beschermer van de menselijke waardigheid en de breker van de ketenen. De vrijheidshoed die ze geeft is afgeleid van de Phrygische muts, in het Romeinse Rijk al het symbool dat een vrijgekochte slaaf droeg als teken van zijn vrijheid . Minerva schenkt de Afrikaanse vrouw in deze gegraveerde voorstelling vrijheid als erkenning – met de putto als symbool van toekomstige, bevrijde generaties.
Op de achterzijde van de dienbladen staat een tekst gegraveerd:

Het zilver is daarmee geen familiestuk in de gebruikelijke zin. Het is een dankbetuiging van Balthasar Daniel van Idsinga aan Cassandra: de vrouw die geen bloedverwant was, maar zijn baboe — degene aan wie zijn ouders zijn opvoeding hadden toevertrouwd, en die hem na haar dood haar bezit naliet.

Balthasar Daniel van Idsinga (1781) door Benjamin Bolomey
Slavernij en Vrijlating in Batavia
Batavia was in het midden van de achttiende eeuw een stad waarin slaaf gemaakten tussen de vijfentwintig en zestig procent van de bevolking uitmaakten. Anders dan de plantageslavernij in de Atlantische wereld betrof dit vooral huishoudelijke slavernij, gecombineerd met inzet als ambachtslieden en op schepen. De stad kende een doorlopende slavenmarkt en de omstandigheden waren zwaar: strenge controle, harde bestraffing, en een voortdurende angst bij de VOC voor opstand.
Slaven die verhandeld werden kregen een nieuwe, Europese naam die ontleend werd aan de bijbel of klassieke oudheid en soms zelfs de maanden van het jaar. Vaak werd daar een toponiem aan toegevoegd als verwijzing waar de slaaf vandaan kwam of waar hij of zij verhandeld was .
In dit geval een naam uit de Griekse mythologie: Cassandra, een Trojaanse prinses, met als toponiem van Macassar, afkomstig van Makassar op het eiland Celebes, het huidige Sulawesi. Cassandra was lijfeigene van de ouders van Balthasar, Meyert Johan van Idsinga, commandeur van Sumatra’s Westkust en vanaf 1756 gouverneur van Amboina en zijn echtgenote. Zoals gebruikelijk in koloniale huishoudens werd haar vervolgens de zorg toevertrouwd over een kind van de familie — in dit geval Balthasar Daniel, geboren in 1745. Het waren doorgaans niet de Europese moeders maar de baboes, die de dagelijkse opvoeding, taal en cultuur aan de kinderen doorgaven. Op enig moment werd zij door de familie vrijgekocht.
Het Testament
Cassandra was op dat moment een vrije, gedoopte christenvrouw. Op 26 juli 1755 liet zij een testament opmaken. Haar hoofderfgename werd Adriana van Batavia, over wie verder niets bekend is. Mocht die zonder wettige nakomelingen overlijden, dan zou de erfenis toevallen aan de zoon van haar voormalige eigenaren: Balthasar Daniel van Idsinga. Uiteindelijk liet Cassandra hem het bedrag van 390 rijksdaalders na.
Balthasar Daniel van Idsinga bouwde na zijn terugkeer in de Republiek een loopbaan op als jurist en bestuurder in Groningen, waar hij uiteindelijk burgemeester werd. Zijn ouders, Meyert Johan van Idsinga en Balthasarina Kien, waren in 1763 in Amboina overleden en daar samen bijgezet.
Balthasar zelf groeide op tussen twee werelden: geboren in Batavia, opgevoed door een Maleis sprekende baboe, en later actief in het bestuur van een Nederlandse stad. Dat hij besloot om Casandra's legaat vast te leggen in een zilveren ensemble met haar naam en de omstandigheden van haar vrijlating erin gegraveerd, was geen verplichting. Het was een keuze, een hommage aan de vrouw met wie hij hoogstwaarschijnlijk een warme moederlijke band had opgebouwd.

Zeldzaam Vroeg en Expliciet
Dit ensemble is om een aantal redenen zeldzaam.
Het bevat een zeer vroeg en expliciet voorbeeld van abolitionistische beeldtaal, decennia voor de afschaffing van de slavernij in 1863. Het documenteert bovendien, met naam en datum, de levensloop van een individuele tot slaaf gemaakte vrouw — informatie die in koloniale archieven doorgaans ontbreekt. Daarnaast is het een van de weinige objecten uit deze periode waarin de relatie tussen een voormalige slavin en de familie die haar vrijkocht rechtstreeks wordt vastgelegd, in de eigen woorden van de opdrachtgever.
Over de Zilversmeden
De achtdelige zilveren set is door twee gerenommeerde Amsterdamse zilversmeden gemaakt in 1780. Het paar strooibussen en de serie van vier kandelaars door Dirk Evert Grave. Het paar dienbladen in hetzelfde jaar door Reynier Brandt. Het ensemble is als één geheel door Balthasar van Idsinga besteld.
Dirk Evert Grave werd geboren als zoon van klompenmaker Jan Evert Grave en zijn vrouw Anna Maria Vorkenbrink. Hij werd gedoopt op 13 februari 1735. In 1763 werd Dirk Grave geregistreerd als poorter van de stad Amsterdam. In 1765 was hij meester zilversmid. Grave trouwde in 1775 met Gezina Mey. Het echtpaar kreeg een dochter, Hanna Elisabeth, die in 1806 met de zilversmid Nathanael Teuter trouwde. Hij overleed in 1795 in huis een in de Kalverstraat, tussen de Gaaper- en Duyfjes-steeg, dat hij in 1782 had gekocht. Grave moet vanaf 1789 als kashouder actief zijn geweest en aan het bedrijf was zeker een atelier verbonden. Na zijn dood werd het atelier van deze productieve zilversmid voortgezet door de weduwe en vervolgens door de schoonzoon, Nathanael Teuter.
Reynier Brandt is een van de bekendste en zeer productieve Amsterdamse zilversmid. Hij werd geboren in Wezel rond 1707. In 1734 werd hij ingeschreven in het poorterregister van Amsterdam en in datzelfde jaar werd hij als edelsmid opgenomen in het gilde van die stad. Ook huwde hij in 1737 in Amsterdam met Maria van Wierop. Zij was de weduwe van een andere Amsterdamse zilversmid (Hendrik Swierinck). Reynier overleed in Amsterdam in 1788. Verschillende stukken van zijn hand bevinden zich in museale en particuliere collecties over de hele wereld.