Een Proefband

Deze zeer verfijnde proefband maakte deel uit van de proeve van bekwaamheid die een leerling zilversmid moest afleggen om als meesterzilversmid toe te treden tot het zilversmidsgilde. Er zijn slechts enkele proefbanden bewaard gebleven. Zoals gebruikelijk is er op de band geen meesterteken afgeslagen, de smid bezat immers de meestertitel nog niet en had daarom nog geen meesterteken.

Technisch Uitdagend

De decoratie op een proefband moest technisch uitdagend zijn en verfijnd zodat de aankomend meester kon laten zien dat hij het drijven, graveren en ciseleren tot in de finesses beheerste. De kunst was om hierbij niet te ver te gaan. Als hij de ornamenten te hoog uit het zilver dreef kond het edelmetaal gaan scheuren en moest de leerling zilversmid opnieuw beginnen.
De hier afgebeelde band toont een uitmuntende kwaliteit in het drijfwerk van de rijke versiering die bestaat uit drie motievencombinaties van een tuinvaas met bloemen, die omlijst wordt door kuifschelpen, festoenen van bloem- en acanthusmotieven en bandwerk wat overgaat in sierlijk omkrullende bladeren. De decoratie is complex, uiterst verfijnd en enorm gevarieerd; het gehele oppervlak is bewerkt en iedere detail is net iets anders uitgevoerd. De versieringen contrasteren fraai tegen de mat geponste achtergrond.

Van der Lely

Opmerkelijk is de gelijkenis van het decor op deze proefband met de proefband die in 1695 door Johannes van der Lely werd vervaardigd. Nog een derde band is bekend met een vrijwel identieke opbouw van de decoratie, die net als dit exemplaar, door een onbekende meester is gemaakt. De rijke, overdadige, maar symmetrische versiering is kenmerkend voor de stijl van Lodewijk XIV, die net voor 1700 in Nederland in de mode kwam. Onder invloed van de uit Frankrijk gevluchte architect Daniël Marot werd de stijl via het stadhouderlijke hof in Nederland verspreid. De grootmeesters Johannes en Gabynus van der Lely zijn in het Noorden de eersten die de motieven van Marot in hun gedreven zilveren voorwerpen verwerkten.

Functies van de Gilden

Een gilde was een belangenorganisatie voor personen met hetzelfde beroep en vervulde verschillende functies. Gilden hadden het alleenrecht op de uitoefening van hun ambacht in hun stad. Ze streefden naar ordening van de arbeids- en afzetmarkt en hielden toezicht op de kwaliteit van de productie binnen een bepaalde bedrijfstak. Er werden verschillende methodes gehanteerd om te zorgen dat gildebroeders in principe de kost konden verdienen. Zo hielden de gildes het aantal meesters beperkt door een proeve van bekwaamheid te eisen en intrede geld te heffen. Zij stelden een limiet aan de werktijden en aan het aantal knechten en leerlingen die een meester in dienst kon hebben. Verder bepaalden ze de marktprijzen van de producten en grepen in wanneer iemand het ambacht uitvoerde zonder lid van het gilde te zijn. Ook speelden gilden een rol bij de opleiding van nieuwe vakgenoten.

Eigen Gilde

Alle kunstenaars en kunstambachtslieden waren lid van het Sint Lucas gilde. Behalve zilver en goudsmeden, die als enige verenigd waren in een apart gilde; het goud en zilversmidsgilde, het gilde van Sint Eligius ook wel Eloy genoemd. Dit kwam voort uit het feit dat lokale overheden controle wilde houden op het zilver en goud wat in het betreffende gebied rouleerde in de vorm van munten en voorwerpen. Omdat de overheden geen expertise hadden op dit gebied werd deze controlerende taak bij het zilversmidsgilde neergelegd.

Het Traject van Leerling naar Meester

Wie goud- of zilversmid wilde worden, moest eerst een paar jaar in de leer. Het gilde zag erop toe dat de leertijd bij een gildebroeder plaatsvond. Zo kon het gilde de kwaliteit van de opleiding van nieuwe vakgenoten waarborgen, hoewel ze zich met de feitelijke opleiding van de leerjongens weinig bemoeide. Die vond plaats in de werkplaats van de meester. Vaak gingen jongens al op 11, 12 of 13-jarige leeftijd in de leer, maar er waren ook leerjongens van 16 of 18 jaar. De leertijd duurde gemiddeld vier tot zes jaar. Na de leertijd konden goud- en zilversmeden aan slag als knecht, ook wel gezel genoemd. De laatste stap in de carrière van een goud- of zilversmid was het zich vestigen als zelfstandige goud- of zilversmid. Hiervoor diende men zich aan te sluiten bij het gilde en een proeve van bekwaamheid, de meesterproef, af te leggen. Daarnaast moest met een bewijs van poorterschap bezitten en intredegeld betalen. De gemiddelde leeftijd waarop men in Amsterdam de meesterproef aflegde was 27 jaar.

De Meesterproef

Niet alle leerjongens kwamen aan de meesterproef toe, zij het door gebrek aan talent, of door een gebrek aan geld, want het afleggen van de meesterproef bracht hoge kosten met zich mee. Men moest voor het afleggen van de meesterproef een som geld storten. Daarnaast betaalden de leerlingen voor de periode dat ze de proef aflegden en in het huis van een meester verbleven en van diens smidse gebruik maakten. En als men de meesterproef succesvol afgelegd had, was het in de loop van de 17de eeuw in Friesland gebruikelijk dat de knechten een kostbare proefmaaltijd aanboden.

Friesland

In Friesland bestond de meesterproef volgens een arrest van het Hof van Friesland uit 1544 uit het maken van drie stukken: ‘eenen gouden rinck, met eene steen daer inne wel geseth ende aen beyden zijden innewerts gesneden ende mit dyuerssche coeleuren geamaillieert. Ten anderen een cleyn zeegel wel constelijck innewaerts gesneeden ten minsten van de groote van een stuuer. Ten derden ende laetsen corpus van een croes ofte beecker metten bandt dairomme wel kunstelijck gedrewen onder meer.’ Als de knechten te arm waren om zelf de materialen voor de proef te leveren, dan werden deze door het gilde verstrekt. Wanneer leerlingen niet voor de meesterproef slaagden, kon de proef na een jaar herhaald worden.

Theebus

Deze proefband is onderdeel geweest van de meesterproef. Als die succesvol was volbracht werd de nieuwe meester ingeschreven in het register en werd zijn meesterteken afgeslagen op de koperen insculpatieplaat van het plaatselijk gilde. Achter het meesterteken werd zijn naam gegraveerd. Op alle voorwerpen die de werkplaats van de nieuwe meester verlieten diende hij zijn meesterteken af te slaan waarmee hij aangaf garant te staan voor het gehalte zilver van het voorwerp. Ten tijde van de vervaardiging van de meesterproef had de leerling nog geen meesterteken, om die reden zijn proefbanden niet gekeurd. Enkele proefbanden zijn na het slagen bewaard gebleven. Sommige werden aangevuld met een afneembare voet en een deksel met dopje zodat het geheel als theebus kon fungeren. Ook bij deze proefband is dat het geval. Alleen als deze stukken verkocht werden voorzag de zilversmid het stuk van zijn meesterteken. Er zijn slechts twee proefbanden bekend die voorzien zijn van een meesterteken. Dat zijn de banden van Johannes en Gabynus van der Lely.

Referentie literatuur
L. Hesselink, Goud- en zilversmeden en hun gilde in Amsterdam in de 17e en 18e eeuw,
Holland, Historisch tijdschrift, volume 31, no 3, 1999, pp. 127 -47
E. Voet, Merken van Friese goud- en zilversmeden, The Hague 1974
Lelie in zilver. Van der Lely, meesterzilversmeden te Leeuwarden 1574-1788, exhibition catalogue, Fries Museum Leeuwarden 1989

Share

This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.

Vorige Zilver Archief overzicht Volgende

Ontvang onze nieuwsbrief

Inschrijven