Deze antiek zilveren rammelaar heeft de vorm van een zeemeermin met een sierlijk gekrulde staart die gegraveerd is met schubben en rocaille-motieven. In haar handen houdt zij een hoorn vast, alsof zij daarop blaast. De rammelaar is voorzien van zes zilveren belletjes en een zilveren jasseronketting.
Rammelaars werden eeuwenlang aan jonge kinderen gegeven, zowel als speelgoed als vanwege
hun vermeende heilzame werking. Het zachte gerinkel van de belletjes moest het kind vermaken en, wanneer het onrustig was, kalmeren en troosten. Het bijtstuk, in dit geval ook van zilver, bood verlichting bij het doorkomen van de eerste tandjes: door erop te bijten kon het kind het tandvlees masseren, wat een verzachtend effect had. Zodra het kind kon staan, werd de rammelaar vaak met een lint of ketting om de hals gedragen. Het kon dan op het fluitje blazen – een speelse oefening die de longen zou versterken en tevens de aandacht trok.
Bijgeloof
Naast deze praktische functies werd de rammelaar ook beschouwd als een voorwerp met beschermende kracht. In een tijd waarin ouders te maken hadden met een hoge kindersterfte en nauwelijks verweer hadden tegen ziekten, zochten zij hun toevlucht tot bijgeloof en magische hulpmiddelen. Men geloofde dat het geluid van de belletjes kwade geesten kon verdrijven en daarom werd de rammelaar vaak boven de wieg gehangen, zodat het kind er net tegenaan kon tikken. Het gerinkel had ook een praktische functie: de ouders of de min konden zo altijd horen waar het kind zich bevond.